Als klein kind was ik onbewust ‘gevoelig’. In dit geval overgevoelig voor haren van huisdieren. Nadat bij mij op mijn 12e jaar astmatisch bronchitis en allerlei  allergieën werden geconstateerd door een longarts, werd geadviseerd om onze kat het huis uit te zetten. Hierna zijn er geen huisdieren meer geweest.

Ik was onbekend met honden en eerlijk gezegd had ik er niet zoveel mee.

In 2016 kwam ik in een zware depressie terecht. Er was nog geen diagnose gesteld behalve door een collega op de werkvloer. Ik zou PTSS hebben. Gezien mijn symptomen zou het best kunnen kloppen. Toch wilde ik dit niet van een collega horen maar van iemand die er voor gestudeerd had.

Dat er iets mis was met mij was wel duidelijk. Ik kwam het bed niet meer uit, sliep nauwelijks en voelde mij meer dan ellendig. Het leven kreeg voor mij, gemeten tussen de nul en tien, een magere drie. Ik had wel eens gelezen dat politiecollega’s waar PTSS werd gediagnostiseerd een hulphond kregen als buddy.

Mijn lief Esmeralda is opgegroeid met honden. Ze had wel eens geopperd om een hond te nemen. Met name toen ik in de helse depressie zat. Ook al was ik over mijn astma gegroei